Nieuwe digitale zakken
Naar aanleiding van dit bericht (http://decontrabas NULL.typepad NULL.com/de_contrabas/2008/06/signalering-sha NULL.html) op de Contrabas brandde de afgelopen dagen een felle discussie los over de zin en onzin van flarf. Vandaag postte Ton van ’t Hof een bericht (http://decontrabas NULL.typepad NULL.com/de_contrabas/2008/06/flarf-is-een-re NULL.html) dat voortborduurde op die discussie.
Ton weet waarschijnlijk meer van de Amerikaanse flarf dan wie dan ook in Nederland. Hij probeert de discussie zoals die op de Contrabas gevoerd werd in een bredere, internationale context te zien. Dat is sowieso al interessant, en om het nog leuker te maken poneert hij er een aantal stellingen voor verdere discussie. In de reacties onder de post worden die stellingen tot nu toe hardnekkig genegeerd.
Ik vond sommige stellingen een uitgebreide reactie waard. Die reacties zijn eigenlijk te lang om als reactie op de Contrabas te plaatsen. Daarom geef ik ze alhier.
Vanwege de leesbaarheid geef ik hieronder ook Ton zijn punten weer. Ik reageer telkens onder Ton zijn stellingen.
Ton: Flarf maakt op onbeschaamde wijze gebruik van de verdere ontsluiting door internet van het individu en zijn of haar individuele stem.
Jeroen: De vraag is wat mij betreft of die individuele stem niet zo veel en vaak ontsloten wordt, dat hij daardoor verloren gaat in een babbelziek koor van allemaal ontsloten individuele stemmen. Hoe individueel is je stem immers nog, als je met een beetje slim googelen zo een paar honderd mensen kan vinden die hetzelfde zeggen als jij? Hoe individueel is je stem nog als twee regels van wat je gezegd hebt in iemand anders’ zoekresultaten opduiken, tussen tientallen andere stemmen? Volgens mij staat het internet ook vol met uitingen die alleen van een individu lijken te komen: reclameteksten, corporate communicatie, bloggende gemeenteraadsleden. Het zijn allemaal stemmen die namens een instantie spreken, maar zich vaak voordoen als een stem van een individu. In hoeverre is de individuele stem daarvan nog te onderscheiden? Is de individuele stem wel wezenlijk anders, en heeft die individuele stem nog wel een eigen betekenis?
Die ontsluiting is dus wat mij betreft een nogal paradoxale ontsluiting: bij alles wat er meer ontsloten wordt, ontstaat er extra verwarring over de status en de betekenis van het ontslotene. Ik probeer die verwarring in mijn flarf te integreren. Google sculpting is een methode die in dit verband natuurlijk vaak interessante resultaten oplevert.
Ton: Bij zijn zoektochten stuit de flarf dichter soms op gewelddadige, racistisch of seksistische uitlatingen, die hij vervolgens in zijn collages verwerkt. Uit ‘aanstootgevende’ gedichten blijkt niet altijd duidelijk of de dichter werd gedreven door de wil om ‘agressieve machtsdynamiek te tonen’ of door zijn ‘eigen gewelddadige, racistische of seksistische interesses’.
Jeroen: Juist. Het is niet interessant als de flarfdichter zich te veel boven zijn materie plaatst. Dan wordt het citeren een moralistisch trucje. De dichter moet als het ware aangetast worden door wat hij of zij citeert. Wie zegt immers dat de dichter niet deel uitmaakt van eenzelfde agressieve machtdynamiek? Waaraan zou de dichter zijn of haar superieure morele positie moeten ontlenen?
Ton: Een deel van flarf is niet of nauwelijks gewelddadig, racistisch of seksistisch georiënteerd, maar eerder psychologisch, sociaal of poëticaal.
Jeroen: Ja.
Ton: Over smaak valt niet te twisten, maar sommige flarf bundels neem ik mee naar een onbewoond eiland.
Jeroen: Is er een internetaansluiting op je onbewoonde eiland?
Ton: flarf is een reactie op de teleurstelling dat poëzie er niet meer toe doet, zij komt in opstand tegen alle gangbare – moderne of postmoderne – poëtische concepten en verklaart zichzelf daarom nonconceptual of transceptual.
Jeroen: Ik weet niet of poëzie er helemaal niet meer toe doet. Ze is wel verdomd marginaal geworden.
Ik vind het redelijk verbazingwekkend dat het belang van poëzie schrijven vaak veel groter lijkt dan het belang van poëzie lezen. Dan heb ik het over de simpele constatering dat er heel veel mensen zijn die dichten, en nog maar weinig lezers. Dat sluit aan bij Tons eerste punt: de ontsluiting van steeds meer individuele stemmen. Niet alleen op blogs en fora krijgt het individu alle ruimte om zijn stem te laten horen, ook als dichter kan hij of zij overal zijn content plaatsen. Ook in de ‘officiële’ poëziewereld verschijnen veel bundels (veel verschillende stemmen) die veelal weinig lezers bereiken.
Deze constatering kan zowel tot de conclusie leiden dat poëzie er wel toe doet (Iedereen schrijft het!), als tot de constatering dat poëzie zeer marginaal geworden is (want niemand leest het).
Daarnaast kan men zich afvragen of de concepten die in de meerderheid van de poëzie nog steeds van belang zijn, zoals schoonheid, natuurlijkheid, individuele expressie, de menselijke stem, nog wel een plaats hebben in onze wereld. Soms lijkt het erop dat de poëzie zich in een hoekje geschilderd heeft. Waar de concepten die ik zojuist opnoemde in de moderniteit nog een zekere kritische functie konden hebben (poëzie als een laatste uitvlucht van het natuurlijke en het menselijke in een steeds mechanischer en onpersoonlijker wordende wereld), lijkt hun rol nu uitgespeeld. Onze postmoderne wereld doet zich voor als mooi, natuurlijk, menselijk, als een plek waar ieder individu zich uiten mag. Wellicht functioneert dit als maskering van de genadeloze machtsinvloeden die zich onder de oppervlakte afspelen. Het kan ook zijn dat de hele sfeer van het natuurlijke vervangen is door imago’s, kopieën, afdrukken van het natuurlijke. Zie de simulacrumtheorie van Baudrillard. In beide scenario’s doet poëzie er inderdaad niet toe. De dichter doet precies wat de wereld ook al doet: humanisme voorwenden. Alleen als we collectief onze eigen natuurlijkheid, onze menselijkheid retorisch willen heropvoeren, wordt de poëzie uit haar hoekje gehaald. Door zich zo te profileren, heeft de (mainstream) poëzieopvatting zichzelf een plaatsje verworven in de wereld. Tegelijkertijd heeft die plek geen enkele kritische relevantie meer. Daarbovenop komt ook nog een het absorberend vermogen van de mainstream. Op de een of andere manier weet het centrum van de kunstopvattingen alle marginale en kritische geluiden naar zich toe te zuigen en in zich op te nemen. Eventuele kritische vermogens van (marginale) poëzie worden zo uitgeveegd door the blob die het centrum heet. Sven Vitse hield onlangs in Perdu een erg goede lezing die onder andere over deze postmoderne parasensus ging. Die staat hier (http://www NULL.inletterland NULL.net/in_letterland/2008/06/confrontaties NULL.html).
Het is verleidelijk om dan maar alle poëzie uit te willen vegen. Misschien ook wel omdat je daarna opnieuw zou kunnen beginnen. Dat lijkt mij wat al te utopisch, maar het is natuurlijk niet de eerste keer dat een stroming hier op uit is. Rip it up and start again. De totale destructie van de poëzie waar flarf soms op uit lijkt te zijn, heeft voor mij ook wel een zekere bekoring. Maar dan eerder als een intern mechanisme van het gedicht zelf. Dat het gedicht ook een paradoxaal geval wordt, dat zichzelf tegelijkertijd opbouwt en afbreekt. Ik ben me ervan bewust dat dit oude wijn (http://www NULL.thomasvaessens NULL.nl/Vaessens%20Vijftigers NULL.pdf) is, in nieuwe digitale zakken. Echte oplossingen heb ik ook niet.
Ton: Het Amerikaanse flarf collective manifesteert zich inderdaad regelmatig op een agressieve wijze, waarbij het vorige punt en de mogelijkheden die internet biedt tot snel en direct reageren niet uit het oog mogen worden verloren.
Jeroen: Tot nu toe manifesteren in Nederland de tegenstanders van flarf zich eerder op agressieve wijze dan de flarfisten zelf.
Ton: De verdere ontsluiting van de individuele stem door het internet geeft nieuwe impulsen aan het dadaïstische, surrealistische en aanverwante gedachtegoed.
Jeroen: Ja, voorzover dadaïsme en surrealisme kritische citatenkunst zijn. Het internet voorziet de dichter van een heel nieuw arsenaal aan citeermateriaal. Oude technieken van citeren zijn niet altijd van toepassing. Zie de discussie over het krantenknippen onder Mesmer.
Ton: Nederlandstalig flarf is nauwelijks gewelddadig, racistisch of seksistisch georiënteerd.
Jeroen: Minder dan Amerikaanse lijkt me. Hoewel Willem Bongers op hilarische wijze met de ‘Nederland is vol’ gedachte speelt in ‘Asiel’ en ‘Asielzoeker’. Willem publiceert tot nu toe echter voornamelijk in de mailbox van zijn vrienden.
Ton: Flarf en het flarf collective maken onmiskenbaar iets los.
Jeroen: Wat wij er al niet voor over hebben om Martijn Benders van zijn constipatie af te helpen.
Leave a Reply